Quote

“I'd rather regret the things that I have done than the things that I have not.”
― Lucille Ball

Monday, June 15, 1998

Kort bezoek aan Jakarta 1998 (Deel 4)

Souvenir: Rode peper als art deco

Deel 4


Ga naar Deel 1


Vrijdag 1 mei



Vroeg opstaan om 6 uur, opfrissen en ontbijten. Het ontbijt hier is steeds hetzelfde, namelijk nassi goreng met sajour boontjes (sajur buncis) en wat sambal. Omdat ik vroeg ben is het ook nog warm, dat was gisteren wel anders. Ik hou er wel van en het voordeel is dat ik op deze manier gemakkelijk zonder een lunch kan. De Amerikaan zit er al en roept naar me dat hij zijn plan heeft veranderd en wenst mij het beste.

Na de koffie ga ik mijn spullen voor die dag bij elkaar zoeken en ben ruim op tijd terug in de hal. Iets na zevenen komt de bus. Het blijkt een soort bestelwagen te zijn als busje ingericht voor ca. 5 personen. Naast de chauffeur zit nog een Indonesische jongeman, die de gids blijkt te zijn en hij spreekt redelijk engels. De chauffeur heet Jantje, hij spreekt geen engels, maar rijdt als een gek, zoals later blijkt. Als ik van mijn verbazing ben bekomen dat ik de enige gast ben zie ik het voordeel daarvan in, kan ik doen wat ik graag wil en dus ook de minder leuke onderdelen overslaan.



Zodra we op weg zijn begint de gids van alles te vertellen en uit te leggen over wat we onderweg zien en gaan doen. Door de herrie van de motor, die midden in de bus zit, heb ik moeite te verstaan wat hij te vertellen heeft. Af en toe hoop ik dat hij even zijn mond houdt, zodat ik lekker achterover kan zitten en van het uitzicht genieten. 


We blijken eerst naar Bandung te gaan via Bogor. Tot aan Bogor is er een autoweg, de eerste van Indonesië aangelegd begin jaren 70, waar zoals overal in dit deel van Java tol betaald moet worden. 

Vanaf Bogor gaat het over normale wegen waarbij we allerlei dorpen passeren en veel van het normale dagelijkse leven zien. Bij Bogor bevindt zich een vulkaan en ik mag er een foto van maken, maar deze kan niet op toeristische wijze worden bezocht. Mijn gids heeft in zijn vroegere jaren de vulkaan beklommen met vrienden. Eentje heeft het niet overleefd.

Onderweg naar Bandung komen we door een gebied van thee plantages. Ze zijn staatseigendom, de plukkers in staatsdienst. Ze krijgen 100 Rp’s per kilogram en vrije kost en onderdak. Drie keer per maand wordt er geoogst. De weg die we rijden klimt aanzienlijk en wordt ook steeds kronkeliger. Na enige tijd blijken we over een pas te moeten. Vlak ervoor stap ik uit om van het uitzicht te genieten en nog eens een foto te maken. Het is hier wat koeler en erg aangenaam. 

Nadat we de pas gepasseerd zijn lijkt het landschap iets te veranderen. De theeplantages maken plaats voor rijstvelden en hier en daar worden de sawa’s zichtbaar. Na een rit van totaal drie uur komen we in Bandung aan. Volgens het programma gaan we naar een ‘kunst’ uitstalling, die mij doet denken aan iets soortgelijks in India. Het reisbureau annex tourorganisatie zal wel een connectie met deze tent hebben. Ik tref daar de bekende spullen aan: houtsnijwerk, gietwerk, vlechtwerk, batik doeken, sieraden en andere snuisterijen. Uiteindelijk besluit ik een gegoten vrouwenfiguur mee te nemen (150.000 Rp).

Als we in de bus stappen begint de gids over de betaling. De prijs van de tour was vastgesteld op US$ 55 en dat had ik bij de aanvang nog eens bevestigd. De gids kwam met het voorstel om in Rp’s te betalen met mijn credit card, dat zou veel goedkoper zijn. Na enige overwegingen ben ik hier op ingegaan, maar moet de afrekening afwachten om er zeker van te zijn dat dit echt het geval is.

Het volgende reisdoel is een Jeans markt. Ik geef aan hier geen behoefte aan te hebben en omdat ik de enige ben is dat geen probleem, des te eerder zijn we terug. We rijden langs een soort Universiteit c.q. lerarenopleiding waar onlangs nog betogingen zijn gehouden. Hierdoor komt de discussie opgang over de politieke en sociale situatie. Mijn gids blijkt een aanhanger van de huidige situatie en de Suharto politiek te zijn, maar waarom is niet duidelijk. Hij heeft in het onderwijs gezeten, maar is daar al weer twee jaar uit. Onderwijs blijkt slecht te verdienen en geen hoog aanzien te hebben. Arts of piloot daarentegen wel, maar reisleider is mogelijk ook niet onaantrekkelijk.

We gaan nu naar Lembang en vandaar naar de vulkaan Tangkuban Perahu. Onderweg blijkt er nog een stop in het programma te zitten voor de lunch. Langs de weg stoppen we bij een soort restaurant, vreselijk ongezellig ingericht. Alles hetzelfde, van metaal en plastic, geen aankleding en vooral geen enkele gast. Als we met zijn drieën binnenkomen komen er vijf tot zes dames tevoorschijn voor de bediening. We werden al verwacht, maar zijn wat vroeg omdat ik nu zelf het programma stuur. Ook hier bestaat er een relatie tussen het restaurant en de tour organisatie. De lunch is uitstekend, een lichte en eenvoudige rijsttafel, maar erg flauw. Dat ik sambal bestel wordt maar raar gevonden. Overigens zit ik met mijn gids aan een ronde tafel voor ca. 8 personen, terwijl de chauffeur apart achterin de zaal zit. Als ik rond kijk zie ik ook hier achter een stel gordijnen weer een hele verzameling ‘kunst’ en snuisterijen voor de toeristische verkoop. Overigens op Bali is het spul veel goedkoper, daar komt het vandaan, en naar later blijkt op de luchthaven bijna twee keer zo duur.

Na de lunch gaan we op weg naar de Tangkuban Perahu. Naarmate we hoger komen begint het bewolkter te worden en af en toe wat mistig. Ook begint het iets te regenen. De vulkaan ligt op ca. 2000 meter hoogte, waardoor het iets koeler is als beneden, maar toch heel aangenaam. Volgens mijn gids zitten er in dit gebied nog slangen, tijgers en puma’s. Even later ligt er op de weg een doodgereden slang van zeker twee meter. Als we bijna boven zijn, komen we bij een mooi groot huis met een slagboom, waar weer betaald moet worden. In het huis zit een soort onderzoekcentrum dat de activiteit van de vulkaan in de gaten houdt. De laatste keer dat ie actief was, was in de jaren de zestig. Als we nog hoger komen rijden we langs een grote parkeerplaats, waar de toeristen bussen moeten parkeren, omdat deze het laatste stuk omhoog niet kunnen rijden vanwege de haarspeldbochten en smalle weg.

Uiteindelijk komen we op de top aan en ruik je de zwavel al voordat er iets te zien is. Als ik uitstap komt er weer een legertje verkopers op me af met alle mogelijke snuisterijen en ansichtkaarten. Dan klim ik op de kraterrand en kijk in de geweldige krater. In het midden bevindt zich een grijzig meer, waar hier en daar rookwolken uit op stijgen. Het is vermoedelijk een mengeling van regenwater, zwavel en modder. Aan de overkant komen er op diverse plaatsen ook rookwolken uit het gesteente omhoog. Je schijnt helemaal om de kraterrand heen te kunnen lopen, maar dat duurt meer dan een uur en daarvoor is geen tijd. Na enkele foto’s genomen te hebben en het geheel nog een keer in me op te nemen, geef ik opdracht weer te vertrekken.
Kratermond en -meer 

Het volgende reisdoel zijn de heetwaterbronnen, die qua warmte gevoed worden door deze vulkaan. Het is een rit van ongeveer een half uur. Het regent af en toe een klein beetje en als we ter plekke aankomen staan er al weer jongens klaar met paraplu’s. Het blijkt een toeristisch oord te zijn, maar net als bij de vulkaan zijn er weinig toeristen. Het is mij niet duidelijk of dat met de tijd van het jaar te maken heeft of met de politieke situatie en het teruglopen van het toerisme. Des te meer de kans alles goed te bekijken.

Warmwaterbronnen
Op diverse plaatsen komt er warm stomend water uit de rotsen. Een deel van het water wordt door een zwembad geleid. Het lijkt me afschuwelijk daar te zwemmen en er is ook niemand te bekennen in het bad. Het water is 35 tot 40 graden en voelt lekker aan. Gebruik is om een beetje te pootje te baden, maar daar begin ik niet aan, om niet nog meer de toerist uit te hangen. Verder naar beneden zijn er schilderachtige waterpartijen met prachtige planten, maar het doet mij voorkomen dat het allemaal aangelegd is. De gids denkt even lekker uit te kunnen rusten, maar ik ben snel weer terug en we kunnen onze rit verder vervolgen.

Sawa's 
De reis gaat nu terug naar Jakarta en onderweg mogelijk nog even een korte stop. Het is een andere weg dan heen. We gaan een belangrijk deel over de snelweg. Eerst noordelijk over normale wegen, dan west over de snelweg. Het landschap is wat vlakker dan op de heenweg en de dorpjes wat minder authentiek, maar af en toe zijn er aardige uitzichten. Op een bepaald moment zie ik opeens beneden de bekende sawa’s, gecascadeerde bassins met water en rijst in alle groeistadia op een berghelling. Ik vraag de chauffeur te stoppen om een foto te kunnen nemen. Terplekke is ook een grote Javaanse boerderij, die een fish-farm blijkt te zijn. Een beekje helder water voorziet het geheel van water en er zijn grote bassins, waarin goudvissen zwemmen. De vis is bestemd voor consumptie.

Als we weer op weg zijn begint het te regenen. Van een normale bui verandert deze in een tropische. Na enkele minuten staat alles blank en het verkeer maakt de zaak nog erger. Inheemsen die langs de weg lopen of er hun kraampjes hebben beschermen zich tegen de regen en het door de auto’s en vrachtwagens omhoog gestuwde water. Overigens geen reden voor mijn chauffeur het kalmer aan te doen. Rechts van de weg bevindt zich een aangelegd bos met bomen waar bussen aan de stam hangen. Het zijn klappers waar melk uit de bast wordt gewonnen. Even later stoppen we bij een van de vele kraampje langs de weg. Het blijkt dat mijn gezelschap een week geleden met autopech hier stil kwam te staan en daar toen ook geweest is. De mensen kennen elkaar dus.

Er blijken onder het tentzeil een oudere man, jonge vrouw en een jongen te wonen. Er staan diverse matrassen op poten en van alles hangt er aan de tentstokken. Er hangt een hele rij trossen witte gepelde vruchten. Het is een soort cassave, die 24 uur gekookt wordt. Ik wordt uitgenodigd hier iets van te nemen en breek ergens een stukje van af. Je weet nooit of het betrouwbaar voedsel is en hoe lang het er al hangt. Er komt een heel mierennest uit en had dus de verkeerde gepakt. De volgende ziet er beter uit en ik eet een stukje op.

Je moet wel, anders wordt het als ondankbaarheid gezien. Het smaakt zoet weeïg maar ik ben er niet kapot van. Voor arme Indonesiërs wellicht een goede maagvulling, maar aan mij niet echt besteed. Vervolgens wordt mij een klappernoot aangeboden, met water, ijs, klappervlees en twee rietjes. Mijn gids en ik moeten dit opdrinken. Ik ben huiverig omdat het niet duidelijk is of het betrouwbaar ijs is en weiger aanvankelijk. Voorzichtig neem ik hier iets van. Het smaakt lekker. Koel en een echte zoete klapper smaak.
Binnen in de toko annex woning 

Even later pakt de jongen een grote klappernoot en hakt er met een groot mes de kop vanaf. De noot zit tot de nok toe vol met klappermelk. Vervolgens begint de jonge vrouw het vlees los te schrapen, gaat er ijs in en is de tropische verrassing klaar.

Nu ik gezien heb hoe dit klaar gemaakt wordt durf ik mijn klapper verder leeg te drinken. Heerlijk koel en smaakvol. Tot op heden had ik mij niet in een dergelijke kraam gewaagd. In Jakarta heb je ze ook overal langs de straten, maar je weet nooit wat je krijgt en of je niet getild wordt. Mede door de aanwezigheid van de gids en chauffeur heb ik er geen probleem mee en is het een geweldige ervaring te zien hoe deze mensen wonen en hun geld moeten verdienen. Ik geef de jonge vrouw een flinke fooi, want de versnapering zit in de prijs van de toer inbegrepen net als de lunch, en maak een foto van het geheel. 

Souvenir: Rode peper als art deco
Dan vraag ik wat die houten pepers voor dienen (zie foto boven aan). Ze worden gebruikt in de onderkomens om bij dreigend gevaar van bijvoorbeeld een inbreker een zwaar tokkend geluid voort te brengen. Zowel de chauffeur als ikzelf besluiten er een te kopen. Hij wordt geleverd met slaghout en keurig in een krant verpakt. Dan moeten we met peper en al met zijn allen op de foto. De chauffeur maakt de foto. Na nog een fooi gaan we weer op weg. 

De stortbui is overgegaan in een matige regenbui en na verloop van tijd is het weer droog. Even later komen we op de snelweg aan, waar natuurlijk weer betaald moet worden. Het landschap is nu helemaal vlak en ziet er verlaten en onaantrekkelijk uit. Hier en daar staat een fabriekscomplex en verder zijn er grote rijstvelden. Het is ruim drie kwartier rijden voordat we de buitenwijken van Jakarta bereiken.

Als we weer een tolstation passeren wordt er door passerende automobilisten gewezen op een probleem. De chauffeur parkeert in de middenberm en we blijken een lekke linker voorband te hebben. Het lijkt een fluitje van een cent, maar het kost bijna drie kwartier voordat de klus is geklaard, nadat ook de wegenwacht zich er mee bemoeid heeft. Het probleem is dat de krik niet goed is, waarschijnlijk te kort. De wegenwachters stellen hun eigen krik ter beschikking - dezelfde maat - maar steken verder geen hand uit. Inmiddels begint het te druppelen en de chauffeur werkt zich in het zweet en vet. Zodra de klus erop zit rijden we Jakarta in en zijn na een kwartier bij het hotel.

Het is tegen zessen - een uur voor de officiële aankomsttijd - en ik maak mij klaar voor het diner, een mihoen goreng maaltijd. Het begint nu te regenen en ik besluit die avond thuis te blijven en mijn boek - De reis van de Beagle, een reisverslag van Darwin - uit te lezen. In de foyer zit tegen over mij een gedistingeerde oudere Indonesiër van ca. 70 jaar met zijn veel jongere vrouw. We raken aan de praat en hij blijkt het Nederlands nog aardig te beheersen en schept er genoegen in dit te praktiseren. Na verloop van tijd gaat het wat moeilijker en spreken nu half engels, half nederlands. Hij heeft een technische achtergrond en blijkt een soort ingenieursbureau te bezitten. Vol trots laat hij zijn C.V. zien en de folder met het ontwerp en de specificaties van een jeep voor het Indonesische leger, die aan alle eisen voldoet, maar nog niet is aanvaard door het leger.

Fondsen aantrekken voor technologische projecten blijkt in deze tijd erg moeilijk en hij zoekt naar buitenlandse sponsors. Als hij hoort waar ik werk en wat ik doe wordt hij zo enthousiast dat ik zijn naam, adres en telefoonnummer krijg. Ik kan hem dag en nacht bellen en kan direct aan de slag in Indonesië. Er is net een verordening door Suharto afgekondigd die buitenlanders toestaat voor een periode van vijf i.p.v. een jaar in Indonesië te werken. De papieren met handtekening worden getoond en hij vertaalt een en ander in het Engels. Ik moet een kopie hiervan maken want buitenlanders met de juiste achtergrond heeft Indonesië hard nodig, waarbij hij mij uitnodigt om voorlopig te blijven. Hij wil mijn gegevens ook hebben en ik haal daarom maar een visite kaartje van mijn hotelkamer. Je weet nooit waar het toe kan leiden, want als het aan mij ligt blijf ik ook.

Zaterdag 2 mei


De laatste dag in Jakarta. Ik sta vroeg op en zit om 8 uur aan het ontbijt, weer hetzelfde als de voorgaande dagen. Mijn plan is om nog eens naar de Tanah Abang 2 te gaan en nog wat foto’s van nummer 117 te maken. De voorgaande keer had ik er maar een gemaakt, omdat ik er niet zeker van was of ik op het goede adres was. Nu was ik daar zeker van na mijn bezoek aan Abdulah. Onderweg, vlak bij de Jl. Musia wordt ik aangesproken door een jonge Indonesiër van ca. 30 jaar. Hij loopt met me mee en biedt aan me te begeleiden. Ik bedenk dat hij misschien iets kan betekenen bij het bezoek aan het huis en stem er in toe.

Onderweg praten we over van alles en nog wat. Hij zegt uit Bogor te komen, een vrouw en baby te hebben. Door de economische malaise is hij de helft van zijn inkomen kwijt en probeert op alle mogelijke manieren aan geld te komen. Of zijn verhaal waar is kan ik niet achterhalen en laat het maar zo. We lopen door
Tanah Abang 2 en hij vertelt honderd uit en dat hij zal zorgen dat ik mijn doel zal bereiken. We komen langs een kazerne, dat vroeger een ziekenhuis is geweest (hoorde ik later van mijn moeder, daar zou ik geboren zijn). Ik bedenk nu dat ik mijn zakdoek vergeten ben en het zweet loopt in mijn ogen waardoor ik af en toe niets meer zie.

Kerkje op Tanah Abang 2 (Laan Trivelli 17 of 21)
Tegenover de kazerne vindt op zeer kleurrijke wijze een hindoestaanse bruiloft plaats. Er zijn veel militairen bij aanwezig, volgens mijn gids een aanwijzing dat het een belangrijk persoon betreft. Op de terugweg is de bruiloft nog gaande en maak ik een foto.

Thuis in Nederland hoor ik van mijn moeder dat zich tegenover het ziekenhuis een kerkje bevond, waar ik gedoopt ben, dus mogelijk was dat hier.
Laan Trivelli 117 



Aangekomen bij nummer 117 probeert mijn gids binnen te komen, maar het hek is gesloten en een bel lijkt er niet te zijn. Een bandenlichter aan de overkant - deze repareert lekke autobanden met wat handgereedschap - wijst waar de bel zich bevindt. Op een onmogelijke plek, maar het werkt wel want er komt iemand de poort openen.

Een jongeman van een jaar of 25 doet open. Mijn gids legt uit wat de bedoeling is en zijn zus en moeder komen er bij. Ze doen allemaal wat afhoudend. De jongeman spreekt engels, zijn moeder niet. Zij blijken daar sinds acht jaar te wonen.

Voordien woonde er een militair. Van de voorgeschiedenis weten ze niets. Dus ook niet of het huis ooit verbouwd is. De foto’s die ik bij me heb en niet lijken op het huis zegt ze ook niets. Op mijn verzoek mag ik een foto maken met de poort open. Rechts is een soort dubbele garage waar een auto in staat. Het gras wordt gesproeid, maar de luiken zijn dicht. Er is dus iets meer te zien dan vanaf de straat, maar veel meer levert het niet op. Ik laat het hierbij, want het ziet er niet naar uit dat ze zin hebben een wild vreemde met een arme Indonesiër aan zijn zijde binnen te laten en kan ze geen ongelijk geven.

Kijkje achter het hek 
We gaan naar de overkant bij een stalletje wat drinken. Weer van die typische Indonesische lauwe limonade, maar wel lekker als je dorst hebt. Mijn gids bepaalt de prijs op Rp. 1000 voor een flesje. Om de geschiedenis verder te achterhalen wordt bij een aantal ouderen op straat gevraagd of zij iets weten. Tenslotte worden we verwezen naar een soort blokhoofd, die verantwoordelijk is voor het wel en wee van deze buurt.

Een dienstmeid komt op de bel af naar de poort, maar heeft niet veel op met ons bezoek. Het blokhoofd zelf is er niet of wil niet komen. Ook lang aandringen van mijn gids en een aantal nieuwsgierigen, die zich verzameld hebben, lijkt de zaak niet te veranderen. Dan gaan mijn antieke foto’s van hand tot hand, maar niemand kan zich iets herinneren. Wel willen ze weten wie er op de foto’s staan. 

Ik geef mijn gids het sein dat we met het onderzoek stoppen en dat ik terug ga naar het hotel. Mijn vriend ziet nu aankomen dat zijn werk er bijna op zit en dat de afrekening tegen zal vallen. Daarom stelt hij voor een onderzoek in te stellen naar de geschiedenis. Hij kan bij het leger gaan informeren en verder in de buurt nog een aantal mensen afgaan. Binnen een dag of drie denkt hij het raadsel opgelost te hebben. Ik laat hem weten dat het geen halszaak is en dat we ermee stoppen en dat ik bovendien vandaag zal vertrekken. Snel is hij niet uit het lood geslagen, want hij stelt voor het onderzoek op zich te nemen en mij de resultaten telefonisch of schriftelijk door te geven. Ik sla zijn voorstel af.

Dan probeert hij mij over te halen nog een aantal andere plaatsen te bezoeken. Zijn doel is natuurlijk de zaak lang te rekken, zodat hij meer geld zal opstrijken. We hadden geen prijs afgesproken, maar ik denk met Rp. 20.000 een redelijk tarief te betalen voor anderhalf uur gidsen. Hij vindt dat wel erg weinig en geeft aan dat het dubbele toch wel het minste is en ik geef hem nog een biljet. Nu moet ik oppassen, want ik moet iets overhouden voor het vervoer naar de luchthaven Sukarno-Hatta en voor de airport tax. Dan komt zijn baby op de proppen, die haast niets te eten heeft en dat wij westerlingen zo rijk zijn. Een vierde briefje van Rp. 10.000 is eigenlijk het normale tarief, zijn kindje moet toch ook eten en ik kan het makkelijk missen. Ik laat mij niet verleiden en dan komt zijn volgende truc.

Hij haalt een Singaporese dollar te voorschijn - waarde ca. Fl 1,50 - en vraagt of ik die niet van hem wil kopen omdat ik toch naar Singapore ga. Ik kan er niets mee en zeg hem dat hij deze beter zelf kan ruilen, maar muntgeld kan niet gewisseld worden. Ik bied hem Rp. 1000 maar dat vindt hij veel te weinig. Nu heb ik er genoeg van en zeg dat ik naar het hotel moet om nog wat te werken. We nemen hartelijk afscheid ondanks het verschil van inzicht in de financiële afwikkeling.

In het hotel aangekomen neem ik een frisse douche, kleed mij om, pak mijn spullen in en bedenk wat ik de rest van de dag zal doen. Het is nu 12.00 uur en de vlucht is om ca. 18.00 uur dus ik heb nog even. Ik overweeg naar het miniatuur museum te gaan in de oude benedenstad, maar twijfel gezien de hoeveelheid Rupia’s die ik nog heb en het risico door het hectische verkeer in tijdnood te komen. Dus lever ik mijn bagage af bij de kruier en ga nog een eindje lopen.

Mogelijk kan ik nog wat dollars wisselen, wat spullen kopen en een biertje drinken. Er is echter op zaterdag geen bank open, althans je mag er niet in maar er zitten wel een hoop bedienden. Na twee uur lopen besluit ik terug te gaan naar het hotel en neem een taxi naar het station Gambir, waarvandaan de bussen vertrekken naar de luchthaven. Zo’n rit kost Rp. 4.000, is comfortabel en redelijk snel. Mijn eerste rit met de taxi - het was geen officiële bleek later - van de luchthaven naar centrum Jakarta kostte mij Rp. 75.000. Ik had dus wel in een paar dagen wel wat geleerd.

De rit voerde langs het oude station van Batavia en verder door de oude stad, langs grote krottenwijken en enkele mooie buitengebieden. Op de luchthaven aangekomen had ik nog een zee van tijd en kon daardoor een vlucht eerder nemen. Mijn laatste Rupia’s heb ik opgemaakt aan een heerlijk koel blikje bier.

Ga naar Deel 1


Printfriendly

Contact Form

Name

Email *

Message *